Boek 7 en de ontwerp- en controleopdracht
ARCHITECTEN & INGENIEURS
Vooruitblik · contractmodellen
Dienstencontract

Boek 7 en de ontwerp- en controleopdracht

De overeenkomsten van architecten, ingenieurs en studiebureaus bekeken in het licht van het nieuwe Boek 7 BW.

Praktijkgids bij uw nieuwe ontwerp-, studie- en controleopdrachten
Portret
Een gids voor architecten, ingenieurs en hun raadgevers.
Uw checklistdownloaden als PDF

Kader en timing

Boek 7 vormt aanneming, lastgeving en bewaargeving om tot een “dienstencontract”. De architectenovereenkomst, de overeenkomst met een studiebureau of een raadgevend ingenieur vallen daar voortaan onder.

De architecten- en ingenieursovereenkomst is een dienstencontract art. 7.4.1 – 7.4.2Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Een dienstencontract is het contract waarbij de opdrachtnemer zich verbindt om een materiële of intellectuele opdracht te verrichten zonder in een verhouding van ondergeschiktheid te staan. Alle dienstencontracten die geen lastgeving of bewaargeving zijn, heten voortaan ook aannemingscontract. Waar Boek 7 spreekt over de “opdrachtnemer”, wordt dus voortaan ook de architect, de ingenieur of het studiebureau bedoeld.

Ruimte om te onderhandelen

De kwalificatie volgt uit de aard van de prestatie en niet uit de benaming die u aan het contract geeft.

De architecten- en ingenieursovereenkomst is ook een dienstencontract betreffende een onroerend bouwwerk art. 7.4.55Dwingend recht
Wat staat in Boek 7

De wet geldt voor elk contract over de bouw, de omvorming of de afbraak van een onroerend bouwwerk of van een belangrijk deel ervan. Zij geldt evenzeer voor elk contract houdende intellectuele diensten in verband met de bouw, de omvorming of de afbraak van zo’n bouwwerk. De toelichting bij het wetsvoorstel bevestigt dat de architect en de tussenkomende ingenieur hieronder vallen.

Wat zegt de “Toelichting” (dit is de handleiding bij de wet) hierover?

“Bovenstaande geldt voor contracten die onroerende bouwwerken tot voorwerp hebben, i.e. grote werken voor de bouw, de afbraak, de verbouwing, de uitbreiding of de herstelling van een onroerend goed. Het betreft niet alleen huizen, appartementsgebouwen, fabrieks- en kantoorgebouwen, maar ook andere werken van onroerende aard, zoals bruggen, wegenwerken, dijken, sluizen, putten, etc.

Moeten ook als ‘grote werken’ worden beschouwd, werken voor de realisatie of de afbraak van de belangrijke onderdelen van een onroerend bouwwerk, zoals de muren, de vloeren, de dakbedekking, de schoorsteen, de terrassen, etc. Ook werken uitgevoerd voor of aan alle installaties van duurzame aard die essentieel en noodzakelijk zijn opdat het onroerend bouwwerk zou kunnen blijven dienen voor het gebruik waarvoor het bestemd is (liften, installaties van centrale verwarming, riolering, elektrische, sanitaire en verwarmingsinstallaties, etc.) en herstellings- en (verbouwings)werken uitgevoerd aan een bestaand gebouw die voldoende omvangrijk zijn, moeten als grote werken die onder het toepassingsgebied van dit bijzonder regime vallen, worden beschouwd.

Niet alleen materiële diensten betreffende (een deel van) een onroerend bouwwerk zijn omvat, maar ook de intellectuele diensten die met het oog op de bouw, de omvorming of de afbraak van (een deel van) een onroerend bouwwerk worden verricht. Zo vallen onder het toepassingsgebied van de wet: de diensten van bouwaannemers, architecten, tussenkomende ingenieurs, etc.”

Toelichting bij het wetsvoorstel, Kamer DOC 56 0743/001, bij het toenmalige artikel 7.4.47.
Ruimte om te onderhandelen

Geen. Of uw contract onder de wet (Boek 7) valt, is een feitenkwestie die de partijen niet zelf bepalen, maar de wet voorziet dat u over vele punten die hierna aan bod komen een eigen regeling kan treffen in uw overeenkomst.

Dat is wat bedoeld wordt met “aanvullend recht”: het recht van Boek 7 is van toepassing, maar u mag kiezen om er in uw contract van af te wijken. De wet vult dus aan wat u zelf niet geregeld heeft. Hierop bestaan uitzonderingen, voor regels die steeds van toepassing blijven (dwingend recht) en waar u dus zelf niet van kan afwijken.

Inwerkingtreding en overgangsrecht art. 49 – 50 van de wetGemengd
Wat de wet bepaalt

De wet is bekendgemaakt op 23 september 2026 en treedt in werking op 1 september 2027. Boek 7 is van toepassing op de rechtshandelingen en rechtsfeiten van na die datum. Voor overeenkomsten die eerder tot stand komen blijft het huidige recht gelden, tenzij de partijen uitdrukkelijk anders overeenkomen.

Wat dat praktisch betekent

U hebt tot 1 september 2027 om uw modelovereenkomst te herwerken. Opdrachten die vandaag worden getekend, lopen vaak nog jaren door, maar blijven onder het oude recht vallen. Pas dus tijdig uw contracten aan.

Het B2B-regime van boek VI WER speelt hier mee Belangrijk is dat architecten, ingenieurs en studiebureaus beschouwd worden als “onderneming”, en dat de dienstenovereenkomst mee zal getoetst worden aan de zwarte lijst van artikel VI.91/4 WER en de grijze lijst van artikel VI.91/5 WER, de zogenaamde B2B-wetgeving. Dat geldt of u nu via een vennootschap werkt dan wel als eenmanszaak of in een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid. Of een beding standhoudt, hangt dus af van twee regelingen: Boek 7 en de B2B-wetgeving. Welke van beide op uw contracten speelt, hangt af van het type opdrachtgever, en dat nemen wij mee wanneer u ons uw contracten laat nakijken.

Sluit u een contract met een professionele bouwheer, een ontwikkelaar of een overheid, dan is uw overeenkomst dus een B2B-contract en worden uw bedingen aan die twee lijsten getoetst.

Bouwt een particulier, dan is er geen B2B-contract en spelen de artikelen VI.91/4 en VI.91/5 niet. In de plaats daarvan geldt het consumentenrecht, dat op zijn eigen manier streng is. Praktisch gevolg: één modelovereenkomst voor beide types opdrachtgever volstaat niet.

Conformiteit

Het onderscheid tussen zichtbare en verborgen gebreken verdwijnt. Eén conformiteitsbegrip komt ervoor in de plaats: u heeft de opdracht conform uitgevoerd wanneer zij beantwoordt aan het contract én aan wat de opdrachtgever (de bouwheer) redelijkerwijze kan verwachten (art. 7.4.15).

De wet zegt er zelf bij hoe die verwachting wordt ingevuld. De redelijke verwachtingen van de opdrachtgever worden bepaald door de wet, het contract, de gebruiken, de goede trouw, de aard van de opdracht, de hoedanigheid van de opdrachtgever en het geheel van de omstandigheden. Dat maakt de omschrijving van de opdracht in uw overeenkomst bepalend.

Hoe vager de opdrachtomschrijving, hoe ruimer de redelijke verwachting van de bouwheer wordt ingevuld. Een precieze afbakening van de opdracht — ontwerp, studie, aanbesteding, controle op de uitvoering, EPB, veiligheidscoördinatie, as-builtdossier — is daarom belangrijk.

De aansprakelijkheid van de opdrachtnemer blijft gekoppeld aan een fout die de bouwheer moet aantonen. Meer bepaald moet de bouwheer bewijzen dat het conformiteitsgebrek minstens in de kiem bestond bij de levering (art. 7.4.16). De toerekenbaarheid wordt beoordeeld volgens artikel 5.225 BW, dus aan het criterium van een voorzichtige en redelijke architect of ingenieur in dezelfde omstandigheden geplaatst.

Wat zegt de Toelichting hierover

“Bij de beoordeling van de regels van goed vakmanschap in het kader van een dienstencontract kan teruggevallen worden op onder andere de normen, technische inlichtingen, en technische specificaties die op dat werk van toepassing zijn. Hoewel het niet altijd voldoende is een geldende technische norm te respecteren om een uitvoering volgens de regels van goed vakmanschap te respecteren, volgt uit de naleving minstens een vermoeden.

— hetgeen de opdrachtgever redelijkerwijs mag verwachten, daarnaast o.m. ook moet worden beoordeeld rekening houdend met de publieke verklaringen gedaan door of voor rekening van de opdrachtnemer, zoals bijvoorbeeld in publiciteit. Zo mag, overeenkomstig de feitenrechtspraak, van een opdrachtnemer die zich als een uitermate gespecialiseerde opdrachtnemer voordoet, een bijzondere graad van vakkundigheid worden verwacht, middels een strengere invulling van het culpa levis in abstracto-criterium.”

Toelichting bij het wetsvoorstel, Kamer DOC 56 0743/001, bij artikel 7.4.15.

Die tweede passage verdient aandacht bij alles wat uw bureau naar buiten brengt. Wie zich op zijn website, in een offerte of in een wedstrijdbundel presenteert als specialist in passiefbouw, restauratie, zorginfrastructuur of houtskeletbouw, wordt aan die zelfverklaarde specialisatie gehouden. De lat voor wat de bouwheer redelijkerwijs mag verwachten gaat dan omhoog, en dat werkt door in de beoordeling van de fout. Houd uw profilering op de website en in brochures dus in de hand en in lijn met wat u realistisch kan realiseren.

Termijnen

Bij een gewoon conformiteitsgebrek kan de opdrachtgever u aanspreken vanaf de ontdekking, en ten vroegste bij de levering. Een melding van het gebrek is dus nodig, en daarna heeft de bouwheer twee jaar de tijd om u te dagvaarden.

Bij een stabiliteitsbedreigend gebrek ligt dat anders. Daar is geen melding nodig. Het volstaat dat het gebrek aan het licht is gekomen binnen een periode van tien jaar na de aanvaarding van de bouwwerken. De mogelijkheid om te dagvaarden vervalt hoe dan ook tien jaar en drie maanden na die aanvaarding, en dat zowel voor gewone als voor stabiliteitsbedreigende gebreken.

Twee regelingen met een verschillend vertrekpunt De ruit is het moment waarop de bouwheer het gebrek ontdekt of meldt, ten vroegste na de levering aanvaarding 2 j 4 j 6 j 8 j 10 j Gewoon conformiteitsgebrek waarborg (art. 7.4.17) gemeld na 2 jaar gemeld na 9 jaar Stabiliteitsbedreigend gebrek aan het licht (§ 1) vordering in rechte (§ 2) 10 j tot jaar 4 tot 10 j 3 m 10 j tot 10 j 3 m Gestippeld: de periode waarbinnen het gebrek aan het licht moet komen. Vol: de tijd die de bouwheer heeft om te dagvaarden. Gewoon gebrek: melden binnen een redelijke termijn, daarna twee jaar om te dagvaarden vanaf die kennisgeving (art. 7.4.19), en ten vroegste twee jaar vanaf de levering. Het recht vervalt hoe dan ook tien jaar en drie maanden na de aanvaarding.

Stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken

Artikel 7.4.57, de opvolger van de artikelen 1792 en 2270 oud BW.

De nieuwe bepalingen over de zogenaamde tienjarige aansprakelijkheid verdienen extra aandacht.

De aansprakelijkheid veronderstelt een fout art. 7.4.57, § 1Dwingend recht
Wat staat in Boek 7

De opdrachtnemer is aansprakelijk voor elk conformiteitsgebrek dat de stabiliteit of de stevigheid van het bouwwerk aantast of dreigt aan te tasten, zelfs door ongeschiktheid van de grond, voor zover dat gebrek te wijten is aan een toerekenbare niet-nakoming.

Belangrijke gevolgtrekking

Het gaat niet om een garantieverbintenis. De bouwheer moet nog altijd een tekortkoming aantonen. Een reëel risico op aantasting van de stabiliteit volstaat wel, een instorting of een onmiddellijk instortingsgevaar is niet vereist.

Hoe wordt de termijn van tien jaar berekend art. 7.4.57, § 1 en § 2Dwingend recht
Wat staat in Boek 7

Het gebrek moet ten laatste tien jaar na de aanvaarding van het bouwwerk aan het licht komen. De bouwheer moet binnen tien jaar en drie maanden na diezelfde aanvaarding een vordering ten gronde instellen.

Een nuance die vaak verwarring geeft

De aanvaarding is het startpunt van de telling, maar zij is geen voorwaarde om de aansprakelijkheid in te roepen. Het Hof van Cassatie heeft geoordeeld dat de bouwheer zich ook vóór de aanvaarding al op dit regime kan beroepen, bijvoorbeeld wanneer er over de oplevering blijvend betwisting bestaat. De aanvaarding bepaalt dus wanneer de termijn afloopt, niet of de bescherming bestaat.

Geen kennisgevingstermijn art. 7.4.57, § 2Dwingend recht
Wat staat in Boek 7

Artikel 7.4.18 is uitdrukkelijk uitgesloten. Een melding binnen een redelijke termijn is hier dus niet vereist en verlengt ook niets. Alleen een vordering in rechte stuit het verval.

Belangrijke gevolgtrekking

Wie het gebrek pas in het negende jaar ontdekt, moet vrijwel meteen dagvaarden. Omgekeerd verliest een bouwheer die een stabiliteitsgebrek in het eerste jaar ontdekt en er jarenlang over zwijgt, zijn recht niet: hij behoudt de volledige termijn. Een contractuele klachttermijn kan hier niet worden ingevoerd.

Elke beperking is absoluut nietig art. 7.4.57, § 3Dwingend recht
Wat staat in Boek 7

Ieder beding dat de aansprakelijkheid voor deze gebreken uitsluit of beperkt, is absoluut nietig. Volgens de toelichting geldt dat ook voor eenzijdige rechtshandelingen, zoals een verklaring waarin de bouwheer afstand doet van deze bescherming.

Ook langs de omweg van de hulppersoon

Hier breekt de wetgever uitdrukkelijk met de bestaande rechtspraak. Het Hof van Cassatie aanvaardde tot nog toe dat een opdrachtnemer zich kon bevrijden van aansprakelijkheid voor de fouten van zijn hulppersonen, ook wanneer die fouten de stabiliteit in het gedrang brachten, omdat de artikelen 1792 en 2270 oud BW zich daar niet uitdrukkelijk tegen verzetten (Cass. 3 maart 1978). De toelichting noemt dat onaanvaardbaar.

De redenering van de wetgever verloopt in twee stappen. Artikel 7.4.15 bepaalt dat de opdrachtnemer aansprakelijk is voor gebreken die aan zijn toerekenbare niet-nakoming te wijten zijn, en die bepaling krijgt voor stabiliteitsbedreigende gebreken een openbare-ordekarakter. Een tekortkoming van een hulppersoon is de opdrachtnemer toerekenbaar volgens het gemene verbintenissenrecht. Ook dat aspect is dus van openbare orde.

Een beding waarin een architect of een aannemer zijn aansprakelijkheid beperkt voor fouten van het studiebureau of van een onderaannemer, is daarmee even nietig als een rechtstreekse exoneratie tegenover de bouwheer. Elke belanghebbende kan die nietigheid inroepen en de rechter kan ze ambtshalve opwerpen.

Wat wel kan

Bedingen die de aansprakelijkheid verzwaren of uitbreiden blijven geldig. Paragraaf 3 viseert enkel het uitsluiten en het beperken. De toelichting beslecht daarmee uitdrukkelijk de discussie die daarover de laatste jaren was ontstaan.

Andere gebreken blijven onderhandelbaar art. 7.4.57, § 4Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Conformiteitsgebreken die de stabiliteit niet bedreigen, blijven onderworpen aan de artikelen 7.4.15 tot 7.4.19. Voor dat deel behoudt u de gewone contractuele speelruimte.

Gevolg voor uw aansprakelijkheidsclausule

Plafonds op uw aansprakelijkheid, een beperking tot het ereloonbedrag, de uitsluiting van gevolgschade en korte klachttermijnen blijven bruikbaar, maar enkel voor deze categorie, dus voor de gebreken die de stabiliteit niet bedreigen. Maak in uw contracten dus een onderscheid tussen stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken en gewone gebreken, waarvoor de aansprakelijkheid wel kan worden beperkt.

Uw verzekering volgt de nieuwe verwijzing De wet van 31 mei 2017 over de verplichte tienjarige aansprakelijkheidsverzekering en de wet van 9 mei 2019 over de verplichte beroepsaansprakelijkheidsverzekering van architecten, landmeters-experten, veiligheids- en gezondheidscoördinatoren en andere dienstverleners in de bouwsector verwijzen voortaan naar artikel 7.4.57, in de plaats van naar de artikelen 1792 en 2270 oud BW. Ga na of uw polis en de verzekeringsclausule in uw overeenkomst die verwijzing mee opnemen.

Oplevering en aanvaarding

Eén oplevering wordt de regel, tenzij uw contract anders bepaalt.

Eén aanvaarding wordt de standaard art. 7.4.9 en 7.4.56Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

De opdrachtgever aanvaardt de afgewerkte opdracht op de plaats en het tijdstip van de levering. De dubbele oplevering moet uitdrukkelijk worden bedongen: zwijgt het contract, dan is er geen voorlopige en definitieve oplevering en dan wordt de aanvaarding vermoed te hebben plaatsgevonden bij de inontvangstname (levering). Staat in uw contract wél een voorlopige en definitieve oplevering, dan valt de inontvangstname op de voorlopige oplevering en de aanvaarding pas op de definitieve oplevering.

Woningbouw

Voor woningbouwcontracten verandert er niets: artikel 9 van de Wet Breyne blijft de dubbele oplevering dwingend opleggen.

De aanvaarding zonder voorbehoud dekt wat zichtbaar was art. 7.4.9, § 1, lid 4Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Een aanvaarding zonder voorbehoud bevestigt dat tijdig is geleverd en dat er geen gebrek is dat een voorzichtige en redelijke opdrachtgever bij een aandachtig onderzoek had kunnen opmerken.

Belangrijke gevolgtrekking

Dit is het enige punt waarop het oude onderscheid tussen zichtbaar en verborgen nog meespeelt. Wat bij de aanvaarding een zichtbaar gebrek was, moet binnen een redelijke termijn gemeld worden, anders wordt het verondersteld aanvaard te zijn.

Wanneer mag de bouwheer de aanvaarding weigeren? art. 7.4.9, § 1Aanvullend recht
Wat zegt de Toelichting hierover

“Wanneer de afgewerkte opdracht tijdig werd geleverd en aan de vereisten van artikel 7.4.15 beantwoordt, is de opdrachtgever verplicht om de opdracht te aanvaarden. Wanneer dat niet het geval is, kan de opdrachtgever niet verplicht worden de opdracht te aanvaarden. In voorkomend geval kan de opdrachtgever hetzij de opdracht aanvaarden met formulering van een of meerdere voorbehouden, hetzij de aanvaarding weigeren.

De opdrachtgever kan de aanvaarding evenwel maar weigeren wanneer de niet-tijdige levering van de opdracht of een conformiteitsgebrek een normaal gebruik van de opdracht (i.e. het gebruik dat contractueel bedongen werd of dat impliciet is verondersteld) door de opdrachtgever verhindert. Verhindert een conformiteitsgebrek het normaal gebruik van de opdracht niet, dan moet de opdrachtgever aanvaarden met formulering van een voorbehoud voor het desbetreffende conformiteitsgebrek. De aanvaarding in een dergelijk geval zomaar weigeren, zou immers rechtsmisbruik inhouden.”

Toelichting bij het wetsvoorstel, Kamer DOC 56 0743/001, bij artikel 7.4.9.
Samengevat

Een bouwheer die de aanvaarding weigert voor gebreken die het normale gebruik niet verhinderen, zit fout. De toelichting voegt er bovendien aan toe dat een onwettige weigering, na ingebrekestelling, kan uitmonden in een rechterlijke beslissing die als aanvaarding geldt.

Eigendom en risico gaan niet op hetzelfde ogenblik over art. 7.4.24 en 7.4.25Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Strekt de opdracht tot het vervaardigen of bouwen van een goed, dan leidt de aanvaarding van de afgewerkte opdracht tot de overdracht van de eigendom van dat goed. Voor de materialen geldt dat de eigendom overgaat naarmate ze zijn ingewerkt in het “goed” waarop de opdrachtgever al een eigendomsrecht of een gebruiksrecht heeft.

Wat zegt de Toelichting hierover

Om dit te verstaan grijpen we terug naar de toelichting. Die verwijst naar twee gevallen: wanneer de opdracht strekt tot de bewerking van een roerend goed dat de opdrachtgever toebehoort, en wanneer zij strekt tot de bouw van een onroerend goed op een goed waarop de opdrachtgever een zakelijk recht heeft. In die gevallen speelt de regel dat het eigendomsrecht van de door de opdrachtnemer aangeleverde materialen geschiedt naargelang hun incorporatie in het goed waarop de opdrachtgever een eigendomsrecht of een gebruiksrecht heeft (Cass. 16 juni 1995, AC 1995, 621, met conclusie van advocaat-generaal Bresseleers).

Concreet

Bouwt u een nieuw huis op zijn grond, dan gaat de eigendom van de gyprocplaten en de rest van de materialen al tijdens de uitvoering van de werken over. Renoveert u de zolder van zijn bestaande woning, dan geldt precies hetzelfde: zodra de gyprocplaten bevestigd zijn, gaat de eigendom ervan naar de bouwheer-opdrachtgever.

Ook een huurder heeft een gelijkaardig recht, via het accessoir opstalrecht van artikel 3.182 BW, maar enkel binnen de perken van dat recht.

Heeft de bouwheer helemaal geen recht op het onderliggende goed, dan valt u terug op de hoofdregel: de eigendom gaat dan pas over bij de aanvaarding van de werken.

Eigendom is iets anders dan risico

Het risico, bijvoorbeeld stormschade, zit bij de bouwheer-opdrachtgever vanaf de levering van de opdracht. Spreekt u niets af, dan aanvaardt hij op de plaats en het tijdstip van die levering, en vallen beide ogenblikken samen. Hebt u een voorlopige en een definitieve oplevering bedongen, dan gaat het risico over bij de voorlopige oplevering, terwijl de aanvaarding pas bij de definitieve volgt.

Voor de materialen levert dat een opvallende tussenfase op. Zijn ze eenmaal ingewerkt, dan zijn ze al eigendom van de bouwheer, maar het risico blijft bij u tot de levering van de opdracht. Waait het dak er tijdens de werken af, dan draagt u dat verlies, ook al waren de pannen juridisch al van hem. De toelichting noemt dat uitdrukkelijk het beginsel res perit debitori: zolang u niet geleverd hebt, is het verlies voor u. Uiteraard zijn er verzekeringen die dit regelen, maar dat zou ons hier te ver brengen.

De wetgever trekt die lijn ook door in de Wet Breyne. Artikel 41 van de wet van 22 juli 2026 vervangt in artikel 5 van die wet de verwijzingen naar de artikelen 1788 en 1789 oud BW door de nieuwe artikelen 7.4.24 en 7.4.25.

Twee scharniermomenten: de levering en de aanvaarding Wat op welk ogenblik naar de bouwheer verschuift levering aanvaarding uitvoering proefjaar daarna Eigendom materialen gaat over naarmate ze ingewerkt zijn Risico bij u bij de bouwheer Eigendom gebouw nog niet overgedragen bij de bouwheer Uw termijnen lopen vanaf hier De materialen volgen de rij hierboven zodra de bouwheer al een zakelijk recht of een gebruiksrecht heeft op de grond of het gebouw. Heeft hij dat niet, dan gaat ook hun eigendom pas over bij de aanvaarding. Het proefjaar bestaat alleen bij een dubbele oplevering: zonder die afspraak vallen de levering en de aanvaarding samen en verschuift alles op hetzelfde ogenblik.
Belangrijke gevolgtrekking

Verwar die risico-overgang niet met uw aansprakelijkheid. Dat de bouwheer het risico draagt, zegt alleen iets over toeval. Voor gebreken die aan een tekortkoming van uw kant te wijten zijn, blijft u aansprakelijk volgens de gewone regels, ook na de levering.

Beide bepalingen zijn aanvullend recht, dus u mag een ander ogenblik afspreken. Doet u dat, zorg dan dat uw contract en de verzekering van de werf hetzelfde ogenblik aanwijzen.

Het vermoeden over de ontwerp- en controleopdracht art. 7.4.56, lid 2Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Heeft de bouwheer het ontwerp en de controle op de uitvoering toevertrouwd aan een architect of een andere derde, met wie hij afzonderlijk heeft gecontracteerd, dan wordt de aanvaarding van het bouwwerk behoudens tegenbewijs vermoed ook de aanvaarding in te houden van die ontwerp- en controleopdracht, voor de prestaties verricht tot de datum van de aanvaarding.

De wet spreekt van een architect of een andere derde. Een studiebureau of een raadgevend ingenieur die het ontwerp en de controle op zich neemt, valt daar evengoed onder.

Wat het vermoeden doet

Er is geen afzonderlijke oplevering van uw eigen prestatie meer nodig. Wordt het bouwwerk aanvaard, dan geldt uw opdracht in beginsel mee als aanvaard, en beginnen vanaf datzelfde ogenblik de termijnen voor uw aansprakelijkheid te lopen.

Het vermoeden werkt daarbij als een gewone aanvaarding. Het dekt de tekortkomingen in uw prestatie die de bouwheer bij een aandachtig onderzoek had kunnen opmerken. Wat hij toen niet kon zien, blijft binnen de gewone termijnen aanspreekbaar.

Het vermoeden dekt alleen het werk dat u op de dag van de aanvaarding al geleverd had. Blijft u daarna nog bezig, bijvoorbeeld met de opvolging van de restpunten of van de waarborgperiode, dan hoort dat latere werk er niet bij. Voor die prestaties begint uw termijn dus pas later te lopen, op het ogenblik dat ook zij worden aanvaard.

Ruimte om te onderhandelen

Het vermoeden is weerlegbaar: de bouwheer mag aantonen dat de aanvaarding van het bouwwerk niet bedoeld was als aanvaarding van uw opdracht. U mag in uw overeenkomst ook een eigen moment van aanvaarding afspreken.

Wat u beter niet schrijft, is dat de aanvaarding van het bouwwerk sowieso en zonder tegenbewijs geldt als aanvaarding van uw opdracht. Daarmee ontneemt u de bouwheer de kans om het tegendeel te bewijzen, en zo’n beding loopt het risico te sneuvelen onder de B2B-wetgeving.

De hulppersonen

Wat is een hulppersoon? Boek 7 gebruikt het woord, maar omschrijft het niet. De definitie staat in Boek 6: een hulppersoon is een natuurlijke of rechtspersoon die door de schuldenaar van een contractuele verbintenis belast wordt met de gehele of gedeeltelijke uitvoering van die verbintenis, ongeacht of hij dat doet voor eigen rekening en in eigen naam, dan wel voor rekening of in naam van de schuldenaar. Voor de contractuele kant verwijst de toelichting naar artikel 5.229 BW, de regel dat u aansprakelijk bent voor de fouten van wie u inschakelt.

Het begrip is dus ruim. Uw werknemer, uw zelfstandige medewerker, uw onderaannemer en de bestuurder van uw vennootschap vallen er allemaal onder. Maar het is geen automatisme: iemand wordt pas hulppersoon wanneer hij belast is met de uitvoering van een verbintenis die u tegenover uw opdrachtgever hebt aangegaan.

Boek 7 organiseert de mogelijkheid voor de hulppersoon die niet betaald wordt om zijn facturen rechtstreeks in te vorderen bij de klant van zijn opdrachtgever. Dat is iets helemaal anders dan de rechtstreekse vordering tegen de hulppersoon tot vergoeding van schade door een fout van die hulppersoon, zoals Boek 6 die voorziet. We zetten de twee mechanismen hieronder naast elkaar.

OnderwerpBetaling — art. 7.4.31 BWSchadevergoeding — Boek 6 BW
Wie vordertDe hulppersoon die niet betaald wordtHet slachtoffer van de fout
Tegen wieDe opdrachtgever van zijn contractpartijDe hulppersoon zelf
VoorwerpDe prijs van geleverde prestatiesDe schade door een buitencontractuele fout
GrensWat de opdrachtgever nog verschuldigd isDe verweermiddelen uit beide contracten
Uit te sluiten?Nee, elke beperking wordt voor niet-geschreven gehoudenJa, in het hoofdcontract, maar niet zonder grenzen

1. Uw onderaannemer kan betaling vragen aan uw klant

Artikel 7.4.31 neemt de oude regel van artikel 1798 oud BW over en breidt ze uit tot alle dienstencontracten. De regel werkt zo. U sluit een contract met een bouwheer. Voor een deel van het werk schakelt u iemand anders in. Betaalt u die persoon niet, dan mag hij zijn factuur rechtstreeks bij uw bouwheer gaan halen, voor zover die u nog iets verschuldigd is.

U zit aan beide kanten van die regel. Schakelt u een studiebureau stabiliteit, een EPB-verslaggever of een veiligheidscoördinator in en betaalt u die niet, dan klopt hij aan bij uw bouwheer. Werkt u zelf onder een hoofdarchitect, een ander studiebureau of een aannemer in een design-and-buildformule, dan kunt u op uw beurt bij de bouwheer aankloppen wanneer uw eigen opdrachtgever niet betaalt.

Vier dingen om te weten:

  • U oefent de vordering uit door de bouwheer te verwittigen. Komt die verwittiging aan nadat er al beslag is gelegd of nadat er samenloop is ontstaan, bijvoorbeeld bij een faillissement, dan heeft zij geen effect meer. Snel reageren is dus bepalend.
  • Bij een langere keten werkt het telkens één schakel verder: elke hulppersoon kan terecht bij de opdrachtgever van de partij met wie hij zelf heeft gecontracteerd.
  • Is er discussie over het bedrag, dan mag de bouwheer het in bewaring geven bij een derde. Vraagt uw opdrachtgever of de hulppersoon dat schriftelijk, dan moet hij dat doen. Onder het oude artikel 1798 was dat nog vrijblijvend.
  • U kunt die vordering niet wegschrijven. Elke beperking of uitsluiting wordt voor niet-geschreven gehouden, ook een clausule die zegt dat u pas hoeft door te betalen wanneer u zelf betaald bent.

2. Uw medewerker kan persoonlijk worden aangesproken

Dit is het omgekeerde verhaal. Hier gaat het niet over geld dat iemand nog tegoed heeft, maar over schade door een fout.

Vroeger kon een benadeelde alleen het bureau aanspreken waarmee hij een contract had. De persoon die de fout maakte, bleef buiten schot. Boek 6 heeft die bescherming weggenomen. Wie de fout maakt, kan nu zelf worden aangesproken: de projectarchitect, de projectingenieur, de werfopvolger, de zelfstandige medewerker, de bestuurder van de vennootschap.

Voor de bouwheer betekent dat: hij kan de persoon aanspreken naast of in plaats van het bureau, en dat buiten uw overeenkomst om.

Er is nog een tweede beweging, die veel minder bekend is. Ook de contractpartijen van uw opdrachtgever kunnen zich tot uw bureau richten. Stel dat uw bouwheer een contract heeft met zijn bank of met een koper, en dat uw werk nodig is om dat contract uit te voeren. Loopt daar iets mis, dan kan die bank of die koper u rechtstreeks aanspreken, zonder dat u ooit iets met hen hebt getekend. In die redenering bent u de hulppersoon van uw bouwheer, en is uw eigen medewerker op zijn beurt uw hulppersoon.

De verweermiddelen en hun grenzen

De hulppersoon staat niet weerloos. Hij kan zich beroepen op de verweermiddelen uit het contract tussen de bouwheer en het bureau, en ook op die uit zijn eigen contract met het bureau. De buitencontractuele vordering kan bovendien in het hoofdcontract worden uitgesloten.

Die contractuele bescherming kent twee harde grenzen. Zij geldt niet bij een fout die is begaan met het opzet schade te veroorzaken, en niet wanneer de schade een aantasting van de fysieke of psychische integriteit betreft. In die gevallen blijft de hulppersoon aansprakelijk.

Er is een derde grens, en die is nieuw Voor stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken werkt de contractuele bescherming evenmin. Artikel 7.4.57, § 3 maakt elk beding dat de aansprakelijkheid daarvoor uitsluit of beperkt absoluut nietig, ook wanneer dat beding via de hulppersoon loopt. Sluit u in uw overeenkomst de buitencontractuele vordering tegen uw medewerkers uit, dan moet die uitsluiting het stabiliteitsluik dus uitdrukkelijk buiten beschouwing laten. Doet zij dat niet, dan riskeert zij op dat punt te sneuvelen.

Studiebureaus in het bijzonder

Vier punten die voor een studiebureau zwaarder wegen dan voor een architect.

Het studiebureau staat nu in de wettekst zelf art. 7.4.55 en 7.4.57Dwingend recht
Wat verandert

De artikelen 1792 en 2270 oud BW spraken van de architect en de aannemer. Het studiebureau stond er niet in. De rechtspraak bracht het er wel onder, maar dat vergde telkens een redenering.

Boek 7 doet dat anders. Artikel 7.4.55 verklaart de regeling uitdrukkelijk van toepassing op contracten die intellectuele diensten over een bouwwerk tot voorwerp hebben, en de toelichting noemt daarbij de architect en de tussenkomende ingenieur. Artikel 7.4.57 spreekt bovendien niet meer van de architect en de aannemer, maar van de opdrachtnemer.

Belangrijke gevolgtrekking

Het argument dat u niet onder de tienjarige aansprakelijkheid valt omdat u geen architect en geen aannemer bent, is verdwenen.

Uw ereloonplafond sneuvelt voor de helft art. 7.4.57, § 3Dwingend recht
Wat verandert

Vrijwel elke ereloonovereenkomst van een studiebureau bevat een aansprakelijkheidsbeperking, meestal een veelvoud van het ereloon of een plafond per schadegeval. Voor stabiliteitsbedreigende conformiteitsgebreken is zo’n beding voortaan absoluut nietig. Voor alle andere conformiteitsgebreken blijft het gewoon overeind.

Waar het misloopt

De meeste contracten maken dat onderscheid niet. Er staat één algemeen geformuleerde beperking in die alles dekt, en die beperking valt straks weg voor precies de schade die het duurst uitvalt.

Belangrijke gevolgtrekking

Splits uw clausule in twee. Een beperking die uitdrukkelijk alleen slaat op gebreken die de stabiliteit niet raken, en geen beperking voor de rest. Zo blijft het deel dat wél mag, ook echt staan.

Uw polis vangt dat niet automatisch op wetten 31.05.2017 en 09.05.2019
Twee verzekeringswetten, elk met een gat

Er bestaan twee verplichte verzekeringen in de bouw, en samen dekken zij net niet wat hier wegvalt.

De eerste is de wet van 31 mei 2017, de wet Peeters-Borsus. Die verplicht aannemers, architecten en andere dienstverleners in de bouwsector van werken in onroerende staat om hun tienjarige aansprakelijkheid te verzekeren. Studiebureaus vallen onder die laatste categorie. Belangrijk: die plicht geldt alleen voor woningbouw.

De tweede is de wet van 9 mei 2019, de wet Peeters-Ducarme. Die verplicht alle intellectuele beroepen in de bouw om hun beroepsaansprakelijkheid te verzekeren, voor alle gebouwen en niet alleen voor woningen. De memorie van toelichting noemt daarbij uitdrukkelijk de ingenieurs, de studiebureaus stabiliteit en speciale technieken, de projectmanagers en de quantity surveyors. Maar die verzekering dekt enkel de beroepsfouten die buiten de tienjarige aansprakelijkheid vallen. De tienjarige zelf is er uitdrukkelijk van uitgesloten.

Waar het gat zit

Zet die twee naast elkaar en u ziet het probleem. Werkt u aan een kantoorgebouw, een school of een fabriek, dan verliest u uw contractuele plafond voor stabiliteitsbedreigende gebreken, terwijl geen van beide wetten u verplicht u daarvoor te verzekeren. U kunt die dekking wel kopen, maar niemand doet dat automatisch voor u.

Er is nog een tweede punt, dat de andere categorie raakt. Artikel 5 van de wet van 9 mei 2019 laat uw verzekeraar toe schade uit te sluiten die ontstaat doordat contractuele verbintenissen niet of niet volledig zijn uitgevoerd. Juristen stelden van bij de invoering vast dat een verzekeraar daarmee de contractuele aansprakelijkheid nagenoeg volledig buiten de dekking kan houden. Dat speelt niet bij stabiliteitsgebreken, maar wel bij de gewone beroepsfouten, en dat is net de categorie waar uw plafond nog overeind blijft.

Belangrijke gevolgtrekking

Neem uw polis erbij en beantwoord twee vragen. Ben ik voor niet-residentiële projecten verzekerd voor de tienjarige aansprakelijkheid? En wat sluit mijn beroepsaansprakelijkheidspolis uit wanneer het gaat over het niet nakomen van contractuele verbintenissen? Doe dat vóór september 2027, niet erna.

Uw onderaannemers kunnen de bouwheer aanspreken art. 7.4.31Dwingend recht
Wat verandert

Studiebureaus besteden deelstudies uit: akoestiek, brandveiligheid, een bijzondere berekening. Betaalt u die onderaannemer niet, dan kan hij zich rechtstreeks tot de bouwheer wenden, ten belope van wat de bouwheer u nog verschuldigd is. Elke contractuele beperking daarvan wordt voor niet-geschreven gehouden.

Belangrijke gevolgtrekking

Omgekeerd werkt het net zo. Werkt u zelf als onderaannemer onder een hoofdstudiebureau of onder de architect, dan hebt u die vordering tegen de bouwheer. En vraagt een van beide partijen het schriftelijk, dan moet de bouwheer het betwiste bedrag consigneren.

Overige bepalingen die uw opdracht raken

Veel hiervan nam de rechtspraak al aan. Nu het in de wet staat, verschuift vooral uw bewijspositie.

Samenwerking en onafhankelijkheid art. 7.4.5Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

De bouwheer bezorgt u de instructies, de inlichtingen, de vergunningen en de machtigingen die u redelijkerwijze van hem mag verwachten. U bezorgt hem op uw beurt de informatie die hij mag verwachten, en u laat hem nagaan of u uitvoert zoals het contract voorschrijft.

U volgt de instructies van de bouwheer, zolang u onafhankelijk kan blijven en uw taken professioneel kan blijven uitvoeren. Zijn die instructies onaangepast of manifest onredelijk, dan mag u weigeren ze uit te voeren of voorbehoud aantekenen.

Waarom dit telt

Voor de architect sluit dit aan bij de onafhankelijkheid die de wet van 20 februari 1939 al oplegt. Boek 7 voorziet bijkomend de mogelijkheid, en eigenlijk ook uw verplichting, om uw voorbehouden schriftelijk vast te leggen als bewijs.

Wat zegt de Toelichting hierover

“Het derde lid bepaalt dat de opdrachtnemer de instructies die de opdrachtgever dienovereenkomstig formuleert, moet volgen. Niettemin mag hij, indien de instructies van de opdrachtgever onaangepast of manifest onredelijk zijn, de uitvoering ervan weigeren. In bepaalde gevallen moet de opdrachtnemer de instructies van de opdrachtgever zelfs weigeren, bijvoorbeeld indien zij tot een manifest gevaarlijke situatie aanleiding geven. Indien de opdrachtnemer, in een geval waarin hij niet verplicht is de instructies van de opdrachtgever te weigeren maar zulks enkel een mogelijkheid is, toch met de uitvoering van een onaangepaste of manifest onredelijke instructie instemt, moet hij voorafgaandelijk voorbehoud maken.

Dringt de opdrachtgever ondanks een dergelijk voorbehoud toch aan op de naleving door de opdrachtnemer van zijn instructies, en veroorzaakt dit nadien problemen, dan kan de opdrachtnemer van elke aansprakelijkheid worden ontheven.

Een instructie is ‘onaangepast’ wanneer zij vanuit objectief oogpunt problematisch is, bijvoorbeeld wanneer zij technisch of praktisch onhaalbaar of moeilijk realiseerbaar is. Een instructie is ‘manifest onredelijk’ wanneer zij vanuit een meer subjectief oogpunt problematisch is, bijvoorbeeld omdat zij de omvang van de opdracht aanzienlijk vergroot of omdat zij dreigt de uitvoering van de opdracht aanzienlijk te vertragen of aanzienlijk duurder te maken. Aldus weegt op de opdrachtnemer een waarschuwingsplicht.”

Toelichting bij het wetsvoorstel, Kamer DOC 56 0743/001, bij artikel 7.4.5.
Belangrijke gevolgtrekking

Er zijn drie situaties. Leidt de instructie tot een manifest gevaarlijke toestand, dan bent u verplicht te weigeren. Is zij enkel onaangepast of manifest onredelijk, dan mag u weigeren. Voert u ze toch uit, dan maakt u vooraf voorbehoud.

Dat voorbehoud is meer dan een formaliteit. Blijft de bouwheer aandringen en loopt het daarna mis, dan kunt u van elke aansprakelijkheid worden ontheven. Het bewijs daarvan ligt bij u. Noteer het voorbehoud dus schriftelijk, met de datum, de instructie zelf en de reden waarom u ze onaangepast of onredelijk vindt. Een verslag van een werfvergadering of een bevestigende e-mail volstaat, een mondelinge opmerking niet.

De coördinatie ligt bij de bouwheer art. 7.4.6, 3° en 7.4.10Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Werken er meerdere opdrachtnemers op hetzelfde project, en heeft elk van hen een apart contract met de bouwheer, dan is het de bouwheer die hen coördineert. Bij nevenaanneming is dat dus het wettelijke uitgangspunt.

Ruimte om te onderhandelen

De bouwheer mag die taak contractueel doorgeven aan een van de opdrachtnemers, en dat kan u zijn. Neemt u ze aan, spreek dan een aparte vergoeding af en zorg dat u ook de bevoegdheid krijgt om beslissingen te nemen over het werk van de anderen. Zonder vergoeding en zonder beslissingsmacht neemt u een risico over waar niets tegenover staat.

Neemt u de coördinatie over, dan wordt u daarvoor hulppersoon van de bouwheer. Lijden de andere opdrachtnemers schade door een coördinatiefout, dan spreken zij in beginsel de bouwheer aan, niet u rechtstreeks.

Samenwerking tussen nevenopdrachtnemers art. 7.4.28Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Elke opdrachtnemer moet samenwerken met de andere opdrachtnemers op het project. Zodra uw werkzaamheden elkaar raken, geldt tussen u onderling een plicht om te informeren, te adviseren en te waarschuwen.

Belangrijke gevolgtrekking

Dat is een inspanningsverbintenis, geen resultaatsverbintenis. Elke opdrachtnemer blijft daarnaast alleen aansprakelijk voor de verbintenissen die tot zijn eigen opdracht behoren. Een scherpe afbakening van uw opdracht beschermt u dus ook tegenover de aannemer en het studiebureau.

Veiligheid, belangenconflicten en informatie art. 7.4.12 en 7.4.27Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

U neemt binnen de grenzen van uw opdracht de veiligheidsmaatregelen die de wet, de goede trouw en de gebruiken vragen. U vermijdt belangenconflicten waar de wet, het gebruik, het contract of de goede trouw dat verlangen. En u informeert de bouwheer over de moeilijkheden die tijdens de uitvoering opduiken, en bij de levering over de manier waarop u hebt uitgevoerd.

De veiligheidsplicht in twee stappen

Volgens de toelichting bestaat die plicht uit twee bewegingen. Eerst informeert u zich over de risico’s die de uitvoering meebrengt voor de bouwheer, voor zijn goederen, voor derden of voor het milieu. Daarna neemt u de nodige voorzorgsmaatregelen. Het voorbeeld in de toelichting is de aannemer die omvangrijke graafwerken uitvoert: hij moet zich vooraf informeren over de ondergrondse leidingen en vervolgens voorkomen dat ze beschadigd raken.

Tegenover de bouwheer is deze veiligheidsverplichting een inspanningsverbintenis die neigt naar een resultaatsverbintenis, maar u bent wel maar aansprakelijk als u daarbij een fout maakt. Tegenover derden geldt de gewone zorgvuldigheidsplicht.

Belangrijke gevolgtrekking

De regel dat u moet waken over belangenconflicten speelt vooral bij uw bestaande relaties met leveranciers, systeemfabrikanten of aannemers. Een bevriende leverancier of aannemer ontzien wanneer die fouten maakt en daardoor schade dreigt te veroorzaken bij de bouwheer, zal onder Boek 7 dus zwaarder gaan doorwegen, ook bij de beoordeling van uw veiligheidsplicht.

U mag hulppersonen inschakelen art. 7.4.30Gemengd
Wat staat in Boek 7

U mag voor de uitvoering van uw opdracht een hulppersoon inschakelen, tenzij de aard of de strekking van die opdracht zich daartegen verzet.

Waarom de wetgever dit opneemt

De toelichting noemt deze bepaling uitdrukkelijk didactisch. Zij wil afrekenen met de gedachte dat een dienstencontract altijd persoonsgebonden is. U mag zowel een eigen werknemer als een zelfstandige medewerker inzetten. Alleen uitzonderlijk, wanneer de aard of de strekking van de opdracht zich ertegen verzet, kan dat niet.

Belangrijke gevolgtrekking

Uw bureau mag de opdracht intern verdelen en externe medewerkers inschakelen, ook zonder dat daarover iets in het contract staat. U blijft wel aansprakelijk voor hun fouten. Wil de bouwheer dat een bepaalde ontwerper de opdracht persoonlijk uitvoert, dan moet dat uitdrukkelijk worden afgesproken.

Een grens buiten Boek 7: het verbod op financiële onderaanneming

Sinds 1 januari 2025 geldt in de bouwsector, de vleesnijverheid en de verhuissector een verbod op louter financiële onderaanneming, ingevoerd door artikel 147 van de wet van 15 mei 2024 over het sociaal strafrecht en diverse arbeidsrechtelijke bepalingen.

De regel luidt dat een onderaannemer het geheel van zijn overeenkomst niet verder in onderaanneming mag geven. Hij moet altijd een deel van de werken zelf uitvoeren. Alleen de coördinatie behouden en al het materiële werk doorgeven, mag evenmin. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat een klein aandeel volstaat, maar het moet om echte uitvoering gaan.

Het verbod geldt vanaf de eerste onderaannemer in de keten en voor elke schakel daarna. De hoofdaannemer, dus wie rechtstreeks met de opdrachtgever contracteert, valt er niet onder en mag zijn opdracht wel volledig uitbesteden. De sanctie is er een van niveau 4 uit het Sociaal Strafwetboek, met gevangenisstraf en geldboetes.

Let op het toepassingsgebied. Het verbod viseert werken in onroerende staat, dus het materiële bouwwerk. Een studiebureau dat een deelstudie uitbesteedt, verricht intellectuele diensten en valt daar in beginsel niet onder. De regel wordt wel belangrijk zodra u als onderaannemer deelneemt aan de uitvoering zelf, en wanneer u de contractstructuur van een project mee helpt opzetten.

Vrijwaring voor uitwinning en intellectuele rechten art. 7.4.26Gemengd
Wat staat in Boek 7

U staat ervoor in dat de bouwheer niet wordt uitgewonnen van het resultaat van uw opdracht. Dat geldt zowel voor uw eigen daad als voor daden van derden, voor zover de uitwinning u toerekenbaar is. Bij derden gaat het alleen om juridische aanspraken die vóór de levering zijn ontstaan.

Uw eigen daad omvat elke stoornis van het gebruik of het genot van de opdracht door uw toedoen, en elke juridische aanspraak die u zelf op de opdracht laat gelden. De datum doet daarbij niet ter zake.

Wat zegt de Toelichting hierover

De toelichting gebruikt hier uitdrukkelijk het ontwerp van een architect als voorbeeld. Een rechtsstoornis door een derde doet zich voor wanneer iemand beweert dat het geleverde werk zijn intellectuele eigendomsrechten schendt, zoals de rechten van een architect op zijn ontwerpen of van een softwareontwikkelaar op zijn programma’s. Hetzelfde geldt wanneer een derde beweert dat u materialen hebt gebruikt die bij hem gestolen zijn.

Concreet

Bouwt u voort op plannen van een vorige ontwerper, gebruikt u een detail uit een gekocht naslagwerk, of neemt u beeldmateriaal of software van derden op in uw dossier, dan draagt u dat risico tegenover uw bouwheer. De vrijwaring geldt zelfs voor aanspraken waarvan u geen kennis had of kon hebben. Zij geldt niet voor stoornissen die u vóór het sluiten van het contract uitdrukkelijk aan de bouwheer hebt gemeld.

Wat u wel en niet mag uitsluiten

Paragraaf 4 verklaart de artikelen 7.2.22 tot 7.2.24 van overeenkomstige toepassing. Daaruit volgt een duidelijke tweedeling. Elk beding dat u geheel of gedeeltelijk bevrijdt van de vrijwaring voor uw eigen daad, wordt voor niet-geschreven gehouden. Voor daden van derden mag u zich wel bevrijden, tenzij u bij het sluiten van het contract op de hoogte was van het uitwinningsrisico.

Artikel 7.2.23 voegt daar een procedurele voorwaarde aan toe. Wordt de bouwheer door een derde in rechte aangesproken, dan moet hij u in het geding doen tussenkomen. Doet hij dat niet en wordt hij definitief veroordeeld, dan dooft uw vrijwaringsplicht uit, op voorwaarde dat u bewijst dat er voldoende middelen waren om de aanspraak van die derde te laten verwerpen. Neem die tussenkomstplicht dus uitdrukkelijk in uw overeenkomst op.

Beëindiging: de bouwheer kan opzeggen, u niet art. 7.4.32 en 7.4.33Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

De bouwheer kan een contract van bepaalde duur op elk ogenblik opzeggen. Hij vergoedt dan uw uitgaven, uw verliezen, de prestaties die u al hebt geleverd en, tenzij het gebruik anders meebrengt, de winst die u misloopt.

Omgekeerd geldt dat niet. Een opdrachtnemer kan een contract van bepaalde duur tegen betaling niet opzeggen.

Hoe de gederfde winst wordt begroot

Volgens de toelichting houdt de rechter rekening met twee correcties: de kosten die u door de stopzetting uitspaart, en de mogelijkheid om in de vrijgekomen tijd andere opdrachten aan te nemen.

Wat u moet bedingen

Wilt u zelf kunnen uitstappen bij aanhoudende wanbetaling of bij een opdracht die onwerkbaar wordt, dan moet die mogelijkheid uitdrukkelijk in uw overeenkomst staan. Een forfaitaire opzegvergoeding kan, maar houd het bedrag evenredig.

Uw contract eindigt niet meer vanzelf bij overlijden art. 1795 oud BW wordt opgehevenAanvullend recht
Wat verandert

Vandaag eindigt de huur van werk van rechtswege door de dood van de werkman, de architect of de aannemer. Een deel van de rechtspraak leidt daaruit af dat ook het faillissement van de vennootschap het contract van rechtswege beëindigt.

Die regel wordt geschrapt. De toelichting noemt hem verouderd, omdat hij uitgaat van de gedachte dat elk aannemingscontract persoonsgebonden is, en dat is vandaag doorgaans niet meer het geval.

Wat ervoor in de plaats komt

Boek 7 voorziet geen vervangende regel. U valt terug op het gemene contractenrecht, meer bepaald op artikel 5.142, tweede lid, 1° BW. Daarin eindigt een contract bij overlijden, onbekwaamheid of insolvabiliteit alleen wanneer uit de aard en de strekking van het contract met zekerheid blijkt dat de partijen het zo hebben bedoeld. Voor lastgeving blijft de beëindiging wel uitdrukkelijk geregeld.

Belangrijke gevolgtrekking

Voor een eenmanspraktijk is dit een reële wijziging. Uw lopende opdrachten eindigen niet langer vanzelf bij uw overlijden, tenzij aantoonbaar is dat de bouwheer juist u persoonlijk voor ogen had. Wil u dat uw opdrachten wél eindigen, of juist dat zij worden verdergezet door een aangeduide confrater, dan zet u dat best uitdrukkelijk in uw overeenkomst.

Ereloon, meerwerk en ongekende omstandigheden art. 7.4.7 en 7.4.8Aanvullend recht
Wat staat in Boek 7

Spreekt u een forfaitair ereloon af, dan kunt u geen verhoging eisen, ook niet wanneer de opdracht meer werk of meer kosten blijkt te vragen. Er is een uitzondering voor ongekende omstandigheden, maar die vraagt vijf voorwaarden samen en kan bovendien contractueel worden uitgesloten.

Belangrijke gevolgtrekking

Voor een ontwerpopdracht ligt de echte hefboom bij de meerwerkprocedure in uw contract, voor het geval de bouwheer zijn programma wijzigt. Leg vast hoe hij een wijziging vraagt, hoe die wordt geraamd en wanneer zij tot een aanpassing van uw ereloon leidt.

De regeling over ongekende omstandigheden en de vijf voorwaarden ervan behandelen we apart in Imprevisieleer en ongekende omstandigheden regelen onder Boek 7 B.W.

De schriftelijke toestemming voor meerwerk verdwijnt

Dit is een stille maar ingrijpende wijziging. Vandaag bepaalt artikel 1793 oud BW dat de aannemer of de architect bij een aanneming van bouwwerken tegen vaste prijs alleen een prijsverhoging kan krijgen wanneer de bouwheer schriftelijk instemt met de veranderingen en de prijs ervan is overeengekomen. De toelichting benadrukt dat dit geen loutere bewijsregel is: zonder geschrift is elke wijziging van de vaste prijs onrechtmatig.

Die bepaling wordt opgeheven. De toelichting geeft daarvoor vier redenen. Zij wijkt af van het consensualisme uit het gemene contractenrecht, waar instemming ook stilzwijgend kan worden gegeven. De rechtspraak leest haar zeer restrictief en past haar alleen toe op de oprichting van een gebouw (Cass. 4 oktober 1951). Buiten het Franse recht bestaat de regel nergens. En de bescherming van de bouwheer wordt al op een andere manier bereikt.

Waar de bescherming naartoe verschuift

Naar uw waarschuwingsplicht. De toelichting zegt het zo: worden veranderingen of vergrotingen van de opdracht overwogen, dan moet de bouwaannemer de bouwheer waarschuwen over de financiële implicaties daarvan.

Voor u betekent dat twee dingen tegelijk. Het formele vereiste van een geschrift valt weg, dus een akkoord over meerwerk kan voortaan ook op andere manieren worden aangetoond. Maar de aansprakelijkheid verschuift naar de vraag of u tijdig hebt gewaarschuwd over de kostprijs. Dat maakt een contractuele meerwerkprocedure belangrijker dan ze vandaag al is, niet minder belangrijk.

Clausulechecklist

Wat u in uw modelovereenkomst nakijkt vóór 1 september 2027.

Aansprakelijkheid en verzekering

ClausuleArtikelWat er verandertWat u doet
Omschrijving van de opdracht7.4.15De opdracht is conform wanneer zij beantwoordt aan het contract én aan wat de bouwheer redelijkerwijs mag verwachten. Alles wat u vergeet te omschrijven, kan worden beschouwd als een redelijke verwachting van de bouwheer.Som limitatief op welke prestaties u levert, verwijs naar uw offerte of bestek, en vermeld uitdrukkelijk wat er niet bij hoort, bijvoorbeeld de veiligheidscoördinatie, de EPB-verslaggeving of het as-builtdossier.
Beperking van uw aansprakelijkheid7.4.57, § 3 en § 4Voor stabiliteitsbedreigende gebreken is elke uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid absoluut verboden. Voor “gewone conformiteitsgebreken” kan uw aansprakelijkheid wel worden beperkt.Splits uw bestaande clausule in twee en beperk uw aansprakelijkheid enkel voor de gewone conformiteitsgebreken. Als u niet splitst, zit u met de discussie over welk deel van uw clausule nog geldig is, en het zal aan de rechtspraak zijn om dat verder in te vullen. Dat willen we net vermijden.
Exoneratie voor fouten van uw hulppersonen7.4.57, § 3Een beperking voor fouten van uw studiebureau of onderaannemer die de stabiliteit van het gebouw bedreigen, is ook verboden en dus nietig. De wetgever breekt daarmee met bestaande rechtspraak.Pas de exoneratieclausules aan voor het stabiliteitsluik. Voor de overige, “gewone” conformiteitsgebreken mag u de bestaande formulering behouden, als die goed was opgesteld.
Uitsluiting van de buitencontractuele vordering tegen uw medewerkersBoek 6U mag de vordering van de bouwheer tegen uw hulppersonen, uw medewerkers dus, in het hoofdcontract uitsluiten. Maar niet wanneer de hulppersoon een fout maakt met het opzet schade te veroorzaken, niet bij aantasting van de fysieke of psychische integriteit, en niet voor stabiliteitsbedreigende gebreken.Schrijf die drie uitzonderingen uitdrukkelijk in de clausule, zodat de rest van de uitsluiting overeind blijft. Opnieuw: we willen geen discussie over welk deel van de bestaande clausule nog geldig is en welk deel niet meer.
VerzekeringsclausuleWetten 31.05.2017 en 09.05.2019Beide wetten verwijzen voortaan naar artikel 7.4.57 in plaats van naar de artikelen 1792 en 2270 oud BW. Zoals u weet geldt de verplichte tienjarige verzekering enkel voor woningbouw.Werk de verwijzing naar de nieuwe wetsbepalingen bij in uw contract en, via uw makelaar, in uw polis. Ga na of u ook bij kantoren, scholen en industriebouw, dus buiten de woningbouw, gedekt bent voor de tienjarige aansprakelijkheid. Laat uw makelaar bevestigen dat u ook gedekt bent bij contractuele fouten.
Vrijwaring voor uitwinning en intellectuele rechten7.4.26 en 7.2.22 tot 7.2.24U vrijwaart de bouwheer wanneer een derde rechten laat gelden op uw werk, bijvoorbeeld op plannen van een vorige ontwerper of op gebruikt beeldmateriaal. Een beding dat u bevrijdt voor uw eigen daad wordt voor niet-geschreven gehouden; voor daden van derden mag u zich wel bevrijden, tenzij u het risico kende.Beperk uw exoneratie tot aanspraken van derden en neem op dat de bouwheer u in het geding moet doen tussenkomen wanneer hij door een derde wordt aangesproken. Meld een gekend risico vóór de contractsluiting schriftelijk, want dan valt het buiten uw vrijwaring.

Termijnen, oplevering en overgang

ClausuleArtikelWat er verandertWat u doet
Klacht- of kennisgevingstermijn7.4.18 en 7.4.57, § 2Bij gewone gebreken moet de bouwheer u verwittigen binnen een “redelijke termijn”. Bij stabiliteitsbedreigende gebreken geldt geen kennisgevingstermijn.Kijk uw contractuele klachttermijnen na en beperk ze uitdrukkelijk tot de gewone conformiteitsgebreken.
Verjaringsbeding7.4.19Bij gewone conformiteitsgebreken verjaart de vordering van de bouwheer twee jaar na zijn kennisgeving.Voorziet uw contract kortere termijnen, breng ze dan op twee jaar. Laat de wettelijke schorsingsgronden ongemoeid, zoals een deskundigenonderzoek of ernstige onderhandelingen.
Vervaltermijn van tien jaar en drie maanden7.4.19 en 7.4.57, § 2Deze uiterste grens geldt voor alle soorten gebreken, telkens te rekenen vanaf de aanvaarding. De bouwheer kan u dus dagvaarden tot tien jaar en drie maanden na de aanvaarding van uw werken, daarna niet meer.Behandel deze grens als een vast gegeven. Voor stabiliteitsbedreigende gebreken is elk beding dat ervan afwijkt nietig.
Opleveringsclausule7.4.9 en 7.4.56Zonder contractuele afspraak is er één oplevering die dan ook geldt als aanvaarding. Bedingt u een voorlopige en een definitieve oplevering, dan valt de inontvangstname op de voorlopige en de aanvaarding op de definitieve oplevering.Bepaal uitdrukkelijk vanaf welk moment de aanvaarding van de werken geldt. Dat is het moment waarop de eigendom overgaat en de aansprakelijkheidstermijn begint te lopen. Bepaalt u niets, dan is er één oplevering die meteen als aanvaarding geldt. Bedingt u wel een dubbele oplevering zonder meer te zeggen, dan valt de aanvaarding op de definitieve oplevering.
Aanvaarding van uw eigen opdracht7.4.56, lid 2De aanvaarding van het bouwwerk wordt, behoudens tegenbewijs, vermoed ook de aanvaarding van uw ontwerp- en controleopdracht in te houden, voor het werk dat u tot dan hebt geleverd.Bepaal een eigen ogenblik van aanvaarding als u niet wil dat uw ontwerp- en controleopdracht pas aanvaard wordt bij de aanvaarding van de werken. Maak het vermoeden niet onweerlegbaar, want dat ontneemt de bouwheer zijn recht op tegenbewijs, en dat is mogelijk verboden onder de B2B-wetgeving.
Eigendom en risico7.4.24 en 7.4.25De materialen worden eigendom van de bouwheer naarmate ze worden ingewerkt. Het risico verschuift pas bij de levering van de opdracht, dus mogelijk veel later.Bekijk uw polissen met uw makelaar. Vermijd dat er een periode ontstaat waarin u geen dekking hebt voor materialen die al eigendom van de bouwheer zijn, terwijl het risico nog bij u ligt.

Uitvoering, medewerkers en beëindiging

ClausuleArtikelWat er verandertWat u doet
Rechtstreekse vordering van hulppersonen7.4.31Uw hulppersoon die u niet betaald hebt, kan zijn factuur rechtstreeks invorderen bij uw klant, dus bij de bouwheer. Elke beperking of uitsluiting wordt voor niet-geschreven gehouden. Bij betwisting moet de bouwheer het bedrag consigneren zodra u of de hulppersoon daar schriftelijk om vraagt.Schrap doorbetalingsclausules, want ze hebben geen effect, en neem de consignatieplicht op schriftelijk verzoek uitdrukkelijk op.
Inschakelen van medewerkers7.4.30U mag de opdracht intern verdelen en externe medewerkers inzetten, ook zonder dat uw contract dat voorziet, tenzij de aard van de opdracht zich daartegen verzet. Zo kunt u een muurtekening die een bepaalde kunstenaar moest maken, niet uitbesteden.Wil de bouwheer dat een met naam genoemde ontwerper de opdracht persoonlijk uitvoert, dan moet hij dat laten opnemen.
Voorbehoud bij instructies7.4.5U mag onaangepaste of manifest onredelijke instructies van de bouwheer weigeren.Maak voorbehoud en documenteer uw bezwaren. Leg een schriftelijke procedure vast: wie het voorbehoud formuleert, binnen welke termijn, en met vermelding van de datum, de instructie zelf en de reden.
Coördinatie bij nevenaanneming7.4.6, 3° en 7.4.10De coördinatie ligt bij de bouwheer wanneer de opdrachtnemers elk een apart contract met hem hebben. Hij mag ze doorgeven aan een van hen.Het beding dat de coördinatie doorschuift naar een opdrachtnemer, moet de vergoeding bepalen en de bevoegdheid bevatten om zelf beslissingen te nemen.
Opzegging door de opdrachtnemer7.4.33, § 1Bij een contract van bepaalde duur onder bezwarende titel kunt u zelf niet opzeggen.Beding uitdrukkelijk een uitstapmogelijkheid, met de gevallen waarin ze speelt, zoals aanhoudende wanbetaling of een opdracht die onwerkbaar wordt.
Opzegvergoeding bij opzegging door de bouwheer7.4.32De bouwheer kan te allen tijde opzeggen en vergoedt uw uitgaven, uw verliezen, de geleverde prestaties en, tenzij het gebruik anders meebrengt, de gederfde winst.Een forfait mag, maar houd het evenredig. Hou er rekening mee dat de rechter de uitgespaarde kosten en nieuwe opdrachten in mindering brengt.
Ereloon en meerwerk7.4.7 en 7.4.8Bij een forfaitair ereloon kunt u geen verhoging eisen. De uitzondering voor ongekende omstandigheden vergt vijf voorwaarden samen en kan contractueel worden uitgesloten.Leg de meerwerkprocedure vast voor het geval de bouwheer zijn programma wijzigt. Definieer daarbij wat voor u “buitensporig bezwarend” is en u recht geeft op de prijsheronderhandeling waarin de wet voorziet, bijvoorbeeld een meerkost van 20 procent.
Schriftelijke toestemming voor meerwerkart. 1793 oud BW wordt opgehevenVandaag kunt u bij een vaste prijs alleen meerwerk aanrekenen met schriftelijke instemming van de bouwheer. Die voorwaarde verdwijnt. De bescherming verschuift naar uw plicht om te waarschuwen over de financiële gevolgen van een wijziging.Reken niet langer op het geschrift als bescherming. Leg vast hoe u waarschuwt, binnen welke termijn, en hoe de bouwheer bevestigt. Een bevestigende e-mail of een verslag van een werfvergadering volstaat.
Overlijden of faillissementart. 1795 oud BW wordt opgehevenUw opdracht eindigt niet meer van rechtswege bij uw overlijden. Zij eindigt alleen nog wanneer uit de aard van het contract blijkt dat de bouwheer u persoonlijk voor ogen had (art. 5.142, tweede lid, 1° BW).Bepaal wat er met lopende opdrachten gebeurt: beëindiging, of verderzetting door een aangeduide confrater. Voor een eenmanspraktijk is dat geen theoretische vraag.
Ook de B2B-wetgeving speelt mee Een clausule die Boek 7 toelaat, kan alsnog sneuvelen onder de zwarte of de grijze lijst van de artikelen VI.91/4 en VI.91/5 WER zodra uw opdrachtgever een onderneming is. Werkt u ook voor particulieren, dan geldt voor die contracten het consumentenrecht. Eén model voor alle opdrachtgevers volstaat dus niet.
Wet van 22 juli 2026 tot invoeging van boek 7 “Bijzondere contracten” in het Burgerlijk Wetboek, gepubliceerd in het Staatsblad op 23 september 2026 met inwerkingtreding op 1 september 2027. Onze analyse dateert van 4 oktober 2026 en is bijgewerkt op 8 oktober 2026.

Uw checklist voor nazicht van uw contracten is gratis beschikbaar gesteld op deze pagina en kan hier worden gedownload.
Checklist downloaden (PDF)

Bronnen

  • Wet van 22 juli 2026 tot invoeging van boek 7 “Bijzondere contracten” in het Burgerlijk Wetboek, gepubliceerd in het Staatsblad op 23 september 2026 met inwerkingtreding op 1 september 2027. De tekst zoals bekendgemaakt is identiek aan de aangenomen kamertekst.
  • Kamer, DOC 56 0743/009, aangenomen tekst in tweede lezing, en DOC 56 0743/001, wetsvoorstel met toelichting. De nummering is bij de tweede lezing met acht opgeschoven vanaf het midden van titel 4: wat in de toelichting art. 7.4.47 tot 7.4.49 heet, is in de aangenomen tekst art. 7.4.55 tot 7.4.57 geworden. De artikelen tot en met 7.4.33 behielden hun nummer.
  • Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek, over de buitencontractuele aansprakelijkheid en de positie van de hulppersoon.
  • Opgeheven bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek die hierboven aan bod komen: artikel 1793 (schriftelijke toestemming voor meerwerk bij vaste prijs) en artikel 1795 (beëindiging van rechtswege bij overlijden). Voor dat laatste geldt voortaan artikel 5.142, tweede lid, 1° BW.
  • Wet van 31 mei 2017 en wet van 9 mei 2019 over de verplichte verzekeringen in de bouwsector, gewijzigd door de artikelen 38 tot 40 van de wet van 22 juli 2026.
  • Wet van 9 juli 1971 (Wet Breyne): de artikelen 5 en 6 gewijzigd door de artikelen 41 en 42 van dezelfde wet; artikel 9 ongewijzigd.

Deze tekst is een algemene toelichting en geen juridisch advies over een concreet dossier. Laat uw overeenkomst nakijken voordat u ze gebruikt.